Je kunt ook lopend wachten

– door Jantine –

dag 1 t/m 6
Omdat we nog 3 weken moeten wachten tot onze auto klaar is en we kunnen vertrekken, wachten we lopend en lopen we een paar honderd kilometer van het Pieterpad, van Pieterburen naar het zuiden. We zingen liedjes en lezen elkaar voor over de landschappen van Drenthe uit het boekje met de routes. We doen spelletjes, luisteren podcasts, zwijgen en rusten uit als we na 27 km wandelen eindelijk onze schoenen weer mogen uitdoen. Het is wonderlijk hoe de nacht behalve je voeten ook je moeie wandelgeest weer heelt – elke ochtend hebben we weer nieuwe zin in weer een nieuwe wandeldag.

Ik vertel Michael over de reis naar Santiago en we leren alvast om elk met niet meer dan vijf kledingstukken te leven. De horeca is dicht, er zijn nauwelijks supermarkten en alle grazers staan op stal. We zien twee herten in de schemer en boven de gemaaide velden horen we de buizerds blazen. Omdat er geen andere gekken zijn die met 7 graden en een 14-daagse weersvoorspelling vol regenwolken wandelen, hebben we heel Nederland voor onszelf. Of samen met de dieren. En omdat het zo grauw en stil is, en we te voet door plas en modder gaan, voelt het soms opeens alsof het duizend jaar geleden is, en we op geheime missie zijn. We moeten een brief bij de koning bezorgen. Het is belangrijk om te blijven lopen. We verliezen ons in zo’n zelfbedacht verhaal en voor je er erg in hebt is het negen kilometer later.

Gister schuilden we 1,5 uur voor de hagel in een jagershutje ter grootte van een kleine bezemkast en de rest van de tijd regenen we nat. Heel soms schijnt de zon. Nederland is prachtig. Zo kunnen wij wel wachten. We voelen ons sterk en vastberaden. We komen eraan. Op naar de koning.

dag 7 t/m 12
Over die 5 extra dagen nat tot aan de onderbroek hebben we het gewoon niet meer (ik wil tijdens de zondvloeddag met de trein maar dat vindt Michael voor sukkels dus lopen we weer onverstoorbaar door – ik een beetje chagrijnig). We slapen in tien verschillende bed & breakfasts (sommige met sauna, eentje met een huilbaby, de meeste met Senseo), en realiseren ons pas halverwege dat we begonnen zijn aan een researchtour met concurrentieanalyse (Michael wil al jaren een B&B aan het Pieterpad, gastheer past perfect in z’n ongewone carièrrepad van hoofdredacteur, vrachtwagenchauffeur en vrijwillig boswachter, en we hebben net bedacht dat het er een moet worden met een Murakami-thema: jazzclubkelder, MX5-en om te huren en pratende katten ook natuurlijk).

We lopen door weelderige wildgroeiwouden, donkerpaarsig heideland en hectaren vol productiebomen. In de verte een orkest van zeven cirkelzagen. Het bos wordt lucifers. We lopen natte sokken en bij elkaar vijf blaren op en ik ben bang voor wolven die hier in Salland op schapen en sappig vrouwmens jagen. Michael groet de paarden. We eten Surinaams in Ommen (het is verrukkelijk) en drinken gemberthees in pannenkoekenhuizen (ik krijg er een met roze slierten ingelegde zure sushigember, die heb ik uitgespuugd). We eten krentenbollen op natte pauzebankjes en nemen stomend hete baden waar we kunnen.

Elke avond slapen we als kleine moegestreden roosjes. De buitenlucht maakt zacht en kalmer. Vanochtend besluiten we voor de zon opkomt op pad te gaan. Ons wachten wordt dan eindelijk beloond, we warmen op van buiten en van binnen. We wandelen in 1,5 week meer dan 250 kilometer over Groningse klei, Drenthse hei en Overijsselse heuvelruggen als we net de vierde provincie binnen komen glunderen. We schijnen harder dan de zon.

dag 13 t/m 15
Eenmaal in de Achterhoek rennen we over de zandplaat in het bos waar ik als drie- t/m elf-jarige elke zondag tegen m’n zin in samen met m’n ouders wandelde, en later mét zin samen met m’n scoutingvriendjes hutten bouwde. Dezelfde bomen staan er nog, en bij eenzelfde waterpoel eten we zonder jas aan mandarijnen. Aan de takken van de wilg zitten wilgenkatjes en we testen onze zonnebrillen in de felle zon. Ze doen het. We spelen verder. Sinds ik honderd jaar geleden stage liep bij Stine Jensen en we een programma maakten over hoe spelen ons tot mensen maakt, heb ik er m’n credo van gemaakt: ik speel, dus ik ben. Tegen de golven van de zee in duiken, eindeloos yahtzeeën (altijd winnen en een slechte winnaar zijn), liedjes schrijven, handstands doen, heel hard dansen (niet nadenken, spélen), dubieuze vragenspellen, trucjes met m’n lichaamsdelen, speurtochten maken, moppen verzinnen, hutten bouwen onder tafel, bomen beklimmen, van bergen af springen. Klieren is spelen, fantaseren is spelen, bedenken is spelen, seks is ook spelen, ontdekken is spelen, reizen is spelen, buiten is spelen.

Dat hebben m’n ouders, ondanks m’n frisse tegenzin, er toch erg goed ingeramd gekregen: buiten kun je altijd spelen. Behalve dan heel soms. Nóg meer regen, vallende bomen, hoogwater en daarom geen kans de Rijn over te steken… we besluiten dat storm Ciara ons eronder krijgt en het spelen staakt heel even. Twee dagen eerder dan gepland lopen we onze voorlopig laatste etappe van dit lange Pieterpad. We nemen vanuit Montferland de trein terug naar ons tijdelijk huis in Utrecht en daar laten we de spierpijn uit onze benen koken in een honderd-graden-sauna met uitzicht op de storm.

300 kilometers gerend en gespeeld, 300 kilometers dichterbij Japan gewandeld. Onze billen ronder, onze kuiten nog bonkiger, onze harten bonkender.