Proeven van het vrije leven

door Jantine

Zaterdag 29 februari 2020: “We hebben het gedaan. We zijn gegaan! Schrikkeldag leek ons een mooi moment daarvoor. Met de liefste mensen om uit te zwaaien en door uitgezwaaid te worden. Huilen vanaf de hoek van de straat tot ver in Duitsland. Ontheemd, opgewonden, zenuwachtig, uitgelaten, opgelucht, eraan toe. Dag Nederland, Hai Avontuur!”

Deze twee helden op sokken schroeven het wilde vrije leven langzaam op: eerst 3 nachten in een hotel (het vroor op weg naar het zuiden oké?), dan 2 nachten op een 65+camping aan een visriviertje, beetje wennen aan het reilen en zeilen van wonen in een auto (onze draai vinden in het nieuwe bed van een rúime 1.10 meter breed), en dán pas het echte werk: wildkamperen op een klif, met de vingers gekruist in slaap vallen straks, niet dromen over de politie die aan je deurtje klopt van hoepel op, hopelijk gewoon een oog dicht doen vannacht, en zo niet: naar buiten kijken. Naar de maan, de zee, de rotsen kijken. Naar de golven luisteren, naar de wind, naar onze ademhaling, die van elkaar, die van de zee.

De zee 🐚
De zee kun je horen
met de handen voor je oren,
in een kokkel,
in een mosterdpotje,
of aan zee.
~ Judith Herzberg

Die eerste wildkampeernacht blijven we wakker van de wind die driftig tegen ons tentdoek waait. De auto schudt. We vragen ons eerst stil en dan hardop af of we naar een hotel moeten verhuizen, of we misschien niet gemaakt zijn voor dit natuurgeweld en wilde buitenleven. Het voelt alsof we geen van alle lange donkere uren ook maar even slapen maar de volgende ochtend herinneren we ons beiden een droom. De zon komt helderrood op vanachter de zee en troost onze wallen weer weg.

We rijden terug de Spaanse bergen in en maken wandelingen langs honderd ongeplukte veldboeketten. We zien een begrafenisstoet met mieren die bloemblaadjes dragen en één mier draagt een dode mier. We doen al vier dagen met dezelfde kleren, omdat het wassen scheelt, maar vooral: omdat het nu nog naar het wasmiddel van m’n moeder, naar mijn moeder, en naar vertrouwd ruikt.

Het meeste is hier anders dan hoe het thuis was, hoe het in ons leven met een huis en een baan was. Maar sommige dingen zijn hetzelfde: we ontbijten met yoghurt en muesli, luisteren naar grauwgedraaide disco en ’s avonds op de bank wrijf ik Michaels voeten warm. We moeten wennen aan dat we elke dag zelf mogen kiezen wat we doen, soms lijken we er al aan gewend. We eten aardappelen met knoflook op het dorpsplein met een biertje, en vinden even verderop een bergmeer met een bodem van turquoise en oevers vol rozemarijn. Het is er windstil en oorverdovend mooi. In het donkere dal zijn we ’s nachts samen met een uil en de vette volle maan van maart. We slapen diep en dromen niks. In de ochtend zwemmen we onze slaperige blote lijven wakker in het krakend koude water.