Mul zand en donkere wolken

door Jantine

We waren aan het vechten tegen het mulle zand en de steilte van de hoogste duin van heel het eiland. Tis maar een kwartiertje klimmen als je niet uitrust tussendoor, of veinst te gaan genieten van het mooie uitzicht, maar wel met al na vijf minuten van die scherpe kramp in beide kuiten. Het is een gemene met een duivels hoge hellingshoek, zo één waarbij het voelt alsof je geen ene meter vooruit, laat staan ook maar een ietsiepietsie omhóóg komt.
We vochten tegen de weerstand van het zand, de weerzin in ons hoofd, de wetenschap dat het niet ons lijf is dat niet meer kon, maar onze hoofden. Dat het op geestelijke kracht en doorzettingsvermogen aankwam bij het flatten van deze zanderige curve.

Maar ik vermoedde ook dat ik vocht tegen misschien wel heel iets anders, daar met mijn blote hakken in dat stomme zand. Tegen de onzekerheid, het machteloze, tegen de vermoeidheid van het zoeken, weer een huis en weer een baan, van weer teruggaan naar de tekentafel, van zo’n goed plan hebben, hadden, en zo weinig zeker weten nu, van de pogingen toch eeuwig optimistisch willen zijn. Dat wist ik heus wel toen ik mezelf die berg op vocht en vloekte. Het was goed dit al te weten voor ik boven was. Zo voelde het daar op de top alsof ik niet alleen het mulle zand, maar ook de donkere wolken had verdreven. Ik kon weer verder zien dan alleen die grote berg vlak voor me: de zee, de zeehonden, de horizon. Een beetje klaarheid zelfs misschien. Nu ik die verdomde duin had overwonnen, dacht ik weer dat het met de rest ook wel zou lukken.

Aan de andere kant heb ik me laten vallen, ik ben in m’n blote billen naar de branding toe gerold. Ik vond een mooie schelp die ook iets lelijks had, het was nog twee uur lopen tot weer terug bij onze auto. Alle twee uur waren zorgeloos. Ik was er weer. 🌪